Search   Contact      

 

     

economie

economen jargon

beursjargon

bronnen

eConomics

Nobelprijs economie

topeconomen

ranglijst economen

literatuur economie

links eConomics

 


management

goeroe overzicht

management jargon

management tools

 

ICT en Nieuwe Economie
bron: Voorwoord

prof. dr. Luc Soete

Vorig jaar besloot het bestuur van de Koninklijke Vereniging voor Staathuishoudkunde de preadviezen van het jaar 2000 te wijden aan ICT en economie. De wereld was nog in de ban van de gevreesde millennium-bug, het begrip 'nieuwe economie' was in Nederland het onderwerp geworden van een heus politiek debat[1], en de Nederlandse economenwereld hield zich beroepshalve liever met serieuze onderwerpen bezig.[2] Mij werd gevraagd het dan ook vooral niet over de 'nieuwe economie' te hebben in de voorbereiding van de preadviezen. Maar het behoort (gelukkig) tot de gebruikelijke academische vrijheden – ook van de Vereniging – om toch een eigen signatuur achter te laten in de keuze en het bijeenbrengen van de verschillende auteurs en hun contributies. Het woord 'nieuw' is dan ook niet taboe in deze preadviezen. U zult zelf in praktisch elk preadvies iets lezen over 'nieuwe' economie, ook al gaat het in de eerste plaats over de invloed van informatie- en communicatietechnologie (ICT) op de economie, de Nederlandse in het bijzonder.
 
De invloed van ICT – en zoals gebruikelijk in Europa wordt gesproken van informatie- en communicatietechnologie – op de economie en de samenleving meer algemeen berust op een aantal technologische doorbraken die historisch uniek lijken. Uiteraard is het moeilijk een correcte historische inschatting te geven van 'nieuwe' technologische doorbraken. Voor veel wetenschappers en technologen vertegenwoordigden de doorbraken op het gebied van nucleaire kennis en technologie in de jaren '40 en '50 de belofte van een schier onuitputtelijke nieuwe energiebron. Weinig van deze beloften zijn uiteindelijk uitgekomen; meer nog, de opslagkosten van het moeilijk afbreekbare nucleaire afval trekt een belangrijke wissel op onze toekomstige welvaart. Een behoorlijke dosis scepticisme lijkt dan ook op zijn plaats wanneer wetenschappers en technologen het hebben over 'radicale' nieuwe technologieën en daar toekomstbeelden uit distilleren, of deze nu positief of negatief worden gebracht. Dany Jacobs gaat in zijn preadvies dan ook uitvoerig in op de lange 'voorbije' geschiedenis van de 'derde industriële revolutie', waarin hij onder meer aantoont hoe slechts weinig van de verwachtingen van futurologen uit de jaren ‘60 rond de mogelijkheden van automatisering en computers uiteindelijk zijn uitgekomen.[3] Op een zelfde manier gaan Lex Borghans en Bas ter Weel in hun preadvies in op de in de jaren ‘80 populaire vrees dat automatisering en de computer veel werk zouden overnemen en uiteindelijk tot grote werkloosheid zouden leiden.
 
Het is in zekere zin de rol van de econoom om technologen te confronteren met de vele sociale, economische en maatschappelijke factoren die gepaard gaan met de spreiding van nieuwe technologie, hoe radicaal de technologie ook gepercipieerd moge worden door bedrijfs- en beleidsmensen, wetenschappers en technologen. Zoals elders beargumenteerd, vormt echter juist de huidige cluster van ICT vanuit het perspectief van zijn sociale en economische implicaties en bredere maatschappelijke inbedding een potentieel radicale technologische en organisatorische transformatie.[4] De cluster van wat nu wordt omschreven als nieuwe ICT berust immers op een breed palet van continue, soms radicale, convergerende technologische doorbraken die als geheel genomen zowel in snelheid als wereldwijde impact historisch uniek lijken.
 
Allereerst is er de dramatische technologische verbetering in de capaciteit van halfgeleiders, die de mogelijkheden en snelheid van computers om data op te slaan en te verwerken gigantisch heeft vergroot. Deze verbeteringen werden in 1965 omschreven aan de hand van de zogenaamde Wet van Moore als een logaritmische toename in de verwerkingscapaciteit van computerchips. Deze wet blijkt 35 jaar na haar formulering nog steeds op te gaan. Bart van Ark en Eric Bartelsman & Jeroen Hinloopen hebben het in hun preadviezen dan ook over de gigantische prijs- en kwaliteitsverbeteringen van computers met zo’n 15% per jaar over de laatste 40 jaar. Voor alle duidelijkheid, dit traject van continue technologische verbetering is sinds de jaren ‘80 uitvoerig beschreven en geanalyseerd door vele economen (zie onder meer Katz & Phillips, 1982; Dosi, 1984); veel 'nieuw' is er vanuit dit perspectief dus niet aan. Jacobs begint zijn historisch overzicht dan ook met de eerste ENIAC-computer in 1946. Hij had ongetwijfeld ook kunnen beginnen met Babbage’s 'differential engine' uit 1830.[5] Niettemin zal ook Jacobs niet ontkennen dat met Intel’s uitvinding van de microprocessor in 1971 het proces van technologische verbetering in met name halfgeleiders in een stroomversnelling is beland. Triplett (1996) heeft het over een prijsdaling met een factor van 3000 over de periode 1974-1994. Het zijn dan ook de continue technologische verbeteringen over de laatste 25 jaar gekoppeld aan de individualisering van computergebruik dankzij de PC, die het toepassingsgebied van IT steeds verder door de verschillende sectoren van de economie heen hebben verspreid. Zo heeft IT, en de computer in het bijzonder, zijn intrede gedaan in de vele economische analyses als een 'general purpose'-technologie (Bresnahan & Trajtenberg, 1995), waarvan de spreiding gepaard gaat met heel wat organisatorische 'mismatchen' en spanningen (Freeman & Perez, 1988; David, 1991).[6] Zoals Van Ark in zijn preadvies aantoont, geeft het zich beperken tot de bijdrage van de IT-productiesector dan ook slechts een zeer partieel beeld van de omvang van de invloed van ICT op de Nederlandse economische groei. Dit geldt des te meer voor een relatief klein land zoals Nederland, dat een belangrijke dienstensector heeft.
 
Ten tweede is er de trend tot miniaturisering van IT. Ik stel dit als een duidelijke aparte tweede trend omdat de invloed van deze IT-miniaturisering essentieel is geweest voor de fysieke integratie van elektronische functies in bestaande (en nieuwe) apparaten, en deze apparaten zelf handiger en efficiënter in gebruik heeft gemaakt. Veel van de oude IT-apparatuur kon gewoon fysiek niet worden toegepast in zowel elektromechanische kapitaal- als consumptiegoederen omdat zij te veel ruimte in beslag zou nemen. De miniaturisering van IT-apparatuur biedt naast de ontwikkeling van eigen nieuwe, gebruiksvriendelijkere producten zoals geïllustreerd in het geval van de computer met de ontwikkeling van mainframe tot minicomputer, PCs, laptops en palms, nu de mogelijkheid om elektronische intelligentie in praktisch elk bestaand mechanisch apparaat in te brengen. Al doende verhoogt IT-apparatuur steeds verder de efficiëntie van bestaande producten, of zij nu instrumenten, machines of huishoudelijke apparaten zijn. Miniaturisering houdt ook een lager energiegebruik in.[7] Uiteindelijk openen de mogelijkheden tot steeds verdere miniaturisering de weg tot nanotechnologie: het produceren van elektronisch materiaal op sub-micron niveau dat in interactie kan treden met zeer kleine materie en cellen, ook levende cellen. Deze laatste ontwikkelingen zijn duidelijk nog in een beginstadium en vormen in vele landen het onderwerp van onderzoek. Niettemin zijn deze hoofdzakelijk technologisch gedreven ontwikkelingen richting verdere miniaturisering belangrijk, omdat zij aantonen dat het technologische traject binnen de IT-sector verre van voltooid is en dat de toepassingsgebieden van de technologie nog steeds verder uitdijen naar nieuwe gebieden en sectoren. Niet louter internet dus.
 
Ten derde zijn er de bijna even radicale technologische verbeteringen op het gebied van de telecommunicatie. De ontwikkelingen op het gebied van optische vezels bieden de mogelijkheid digitale signalen rond te sturen zonder noemenswaardig energieverlies. Gekoppeld aan de hierboven beschreven trend tot miniaturisering van IT-apparatuur, bijvoorbeeld voor het versterken en bundelen van signalen – de 'routers' en netwerkstations – en de sterke uitbreiding van de bandbreedte van communicatiekanalen, biedt dit de mogelijkheid tot de ontwikkeling van een communicatienetwerkinfrastructuur waarin informatie- en communicatiegoederen kunnen worden aangeboden aan minimale variabele kosten. Communiceren met iemand in de nabije omgeving of met iemand aan de andere kant van de wereld maakt praktisch geen verschil uit. Er zit dus wel degelijk iets reëels in het begrip 'death of distance' (Cairncross, 1998). Het is vooral vanuit dit opzicht dat de technologische ontwikkelingen op het gebied van communicatietechnologie verschillen van andere, vorige doorbraken op het gebied van netwerktechnologie, zoals elektriciteit. Een elektriciteitsnetwerk is behalve van de veel hogere kapitaalkosten van de verschillende 'netwerkstations', sterk afhankelijk van energieverlies over het eigen netwerk. Afstand blijft dan ook een belangrijke kostenfactor.
 
Ten vierde zijn er de specifieke ontwikkelingen op het gebied van mobiele communicatie. Mobiel communiceren vertegenwoordigt in zekere zin de ultieme vorm van bereikbaarheid. Niet langer is fysieke toegang tot de infrastructuur van het netwerk vereist, maar kan effectief van welke plek ook gecommuniceerd worden. De antenne-infrastructuur blijft uiteraard een belangrijke kostenfactor, maar staat opnieuw in geen verhouding tot de fysieke netwerkkosten van bijvoorbeeld elektriciteitdistributie. Voor de rest wordt de vaste netwerkkost gevormd door de eigendom van een stukje 'ruimte'. Mobiele communicatie is dan ook meer dan het einde van fysieke afstand, het zou kunnen worden omschreven als 'any place, any time, anywhere; information and communication is in the air'. Deze bijkomende bereikbaarheidsdimensie van communicatie verklaart zonder meer de hoge en oorspronkelijk onverwachte vlucht die mobiele telefonie heeft genomen in de jaren ‘90. Ook hier staat men nog in de beginfase van verdere technologische ontwikkeling.
 
Tot slot zijn er de ontwikkelingen op het gebied van ondersteunende technologie zoals software- en andere communicatiestandaarden, met name de Internetprotocollen (zoals WWW) en mobiele communicatiestandaarden (zoals GSM, WAP en UMTS). Software-ontwikkelingen zijn niet alleen essentieel gebleken in de ontwikkeling van nieuwe informatiegoederen zoals content, zij zijn ook bijzonder belangrijk gebleken in de verbetering van het gebruik van de fysieke communicatie-infrastructuur. Zo kunnen de oude koperen telefoonlijnen beter en efficiënter worden gebruikt dankzij ADSL. De verschillende lagen van open internetprotocollen aan de andere kant zijn essentieel voor de ontwikkeling van nieuwe informatiegoederen en internethandel meer algemeen. Zo dijen dankzij nieuwe software-ontwikkelingen en internationaal aanvaarde informatie- en communicatiestandaarden, de mogelijkheden van communicatie steeds verder uit en neemt de verhandelbaarheid van diensten sterk toe. Zoals Huub Meijers in zijn preadvies aantoont, is het de openbaarheid van de internetstandaarden die aan de basis ligt van de 'nieuwe' Internetnetwerkvoordelen, zoals B2B (business-to-business), die juist daarom veel belangrijker zijn dan de 'oude' gesloten EDI-standaarden. Dankzij deze open internationale standaarden kunnen nu ook wereldwijd netwerkvoordelen worden gerealiseerd. Jean-Jacques Herings en Maarten-Pieter Schinkel hebben het in hun preadvies dan ook over het 'world-wide-welfare' WWW. De kosten van transacties kunnen immers dramatisch naar beneden komen. De Verenigde Naties schatten dat de transactiekosten van de wereldhandel zo’n $ 1.960 miljard bedroegen in 1995. Zelfs een geringe besparing dankzij internethandel zou een besparing, zo schat de VN, kunnen opleveren van een $ 500 miljard. Anderzijds kunnen, zoals Wilfred Dolfsma in zijn preadvies in meer detail bespreekt, vele nieuwe informatie- en contentgoederen (internationaal) worden vermarkt en ook 'versies' van producten en diensten worden geleverd die precies beantwoorden aan de specifieke behoeften van de gebruiker.
 
Kortom, wat historisch zo uniek is aan de technologische ontwikkelingen op het gebied van ICT is in zekere zin enerzijds de historisch lange, niet-aflatende continue technologische verbetering op verschillende deelgebieden en anderzijds de uitzonderlijke technologische spillovers en convergentie tussen de verschillende ICT-gebieden. Centraal blijft echter de vraag in hoeverre deze technologisch gedreven ontwikkelingen leiden tot de opkomst van een 'nieuwe' economie.
 
In het eerste preadvies geeft Dany Jacobs al met de titel van zijn bijdrage uiting aan een zeker scepticisme: 'Wachten op de voorbije (ICT) revolutie?' Voor Jacobs blijkt het huidige belang dat de bedrijfswereld, de beleidswereld en nu ook de economenwereld aan ICT toekent, het resultaat van enerzijds een gebrekkig historisch besef en anderzijds technologische hype. Dit leidt er toe dat men systematisch de bijdrage van ICT aan economische groei in het verleden schromelijk heeft onderschat en dat men de invloed van huidige ICT-ontwikkelingen sterk overschat. Veel van de huidige 'nieuwe economie'-visionairs zouden, Jacobs volgend, er ongetwijfeld goed aan doen de toekomstvoorspellingen van hun voorgangers uit de jaren '50 en '60 zorgvuldig na te lezen. Hopelijk brengt het hen met de voeten terug op aarde, maar het zou natuurlijk ook kunnen dat ze juist daar 'nieuwe' inspiratie opdoen… Toekomstbeelden verouderen én vernieuwen snel: 'the future isn’t what it used to be'. Zijn de belangrijkste ontwikkelingen op basis van ICT dan reeds voorbij, zoals Dany Jacobs impliceert? De toekomst zal het moeten uitwijzen. Ik noteer alleen dat juist de meeste 'mainstream'-macro-economen die mening tien tot twintig jaar geleden waren toegedaan. Ik herinner me nog de debatten binnen de OESO midden jaren ‘80 over de vermeende afnemende productiviteit van onderzoek en ontwikkeling (O&O) als mogelijke verklaring voor de afname in totale factor productiviteit binnen de OESO.[8] Dat was trouwens ook de verklaring die Bob Solow voorstond in de interpretatie van de naar hem genoemde paradox: de technologische impact van computers was al lang voorbij – overal zag je immers computers – hun economische efficiëntie-impact was echter uitermate gering gebleken. Interessant in Jacobs’ preadvies is ook het belang dat hij vanuit zijn eigen kennis en ervaring met organisatieveranderingen in bedrijven toekent aan 'flankerende' organisatorische vernieuwingen als essentiële voorwaarde om de verschillende ICT-potenties, of ze nu oud of nieuw zijn, ten volle te realiseren. In zijn kritisch betoog toont Jacobs tenslotte ook aan dat ICT niet automatisch leidt tot internationalisering, liberalisering of flexibilisering: concepten die veelal ook met de 'nieuwe' economie worden geïdentificeerd; ook al gedijt in Jacobs' termen 'ICT beter bij bepaalde vormen van structurele hervorming'. Jacobs blijft echter bijzonder kritisch over populaire mediavisies van nieuwe economie als belichaming van het Angelsaksische model.
 
In het tweede preadvies gaat Bart van Ark in op de empirische vraag naar de bijdrage van ICT aan de Nederlandse groei en productiviteit. Aan de hand van nieuwe OESO-data waarbij de Nederlandse trends over de periode 1990-1998 systematisch kunnen worden vergeleken met die van de Verenigde Staten en een aantal Europese landen, komt Van Ark tot de vaststelling dat de verschillen tussen de Verenigde Staten en de Europese landen in de groei en werkgelegenheidseffecten van het gebruik van ICT minder groot zijn dan vermoed. De verschillen wijzen niettemin op belangrijke 'subtiele' verschillen tussen het belang van ICT-producerende en -gebruikende industrieën en ICT-producerende en -gebruikende diensten. Het onderscheid tussen deze verschillende sectoren lijkt ongetwijfeld hier en daar artificieel en vrij statistisch, maar biedt een eye-opener in mogelijke interpretaties voor het toch substantiële verschil in economische groei tussen de VS en Europa in de jaren '90 en in werkgelegenheidsgroei tussen Nederland en de andere Europese landen. Van Ark weerlegt dan ook de bevindingen van Gordon (1999) dat de productiviteitsgroei van de afgelopen jaren in de VS niet is toe te schrijven aan de 'nieuwe' sectoren en constateert, zoals Oliner & Sichel (2000), dat de groeibijdrage van ICT-producerende sectoren een belangrijke component is in de verklaring van de huidige productiviteitsversnelling. Wat Nederland betreft constateert Van Ark dat de ICT-gebruikende diensten voor ruim een derde aan de werkgelegenheidsgroei van Nederland hebben bijgedragen, ondanks het feit dat de productiviteitsgroei in deze diensten verdrievoudigd is over dezelfde periode: van 0,8 tot 2,2% per jaar. De productiviteitsvertraging in de Nederlandse economie is dan ook niet het gevolg van gebruik van ICT, maar eerder omgekeerd: het zijn juist bedrijfstakken die niet intensief van ICT gebruik maken, zoals de bouw, de onroerend-goedsector, persoonlijke, sociale en overheidsdiensten, die verantwoordelijk zijn voor de productiviteitsvertraging na 1995. Van Ark gaat ook in op de meetproblemen die zich in toenemende mate stellen met betrekking tot reële productie en productiviteitsontwikkeling. Hij stelt hierbij vast dat de meetfouten op macro-economisch vlak toenemen vanwege de toename in het aandeel van moeilijk meetbare bedrijfstakken in de economie en dat binnen bedrijfstakken het toenemend gebruik van ICT tot grotere meetfouten leidt, waarvoor technisch echter wel oplossingen kunnen worden gevonden.[9]
 
Ook Eric Bartelsman en Jeroen Hinloopen richten zich in de eerste plaats op de economische onderbouwing van de 'verzilvering' van de digitale groeibelofte. Zij richten zich hierbij op de efficiëntieverhoging van informatieverwerking en communicatie als gevolg van ICT-gebruik. Deze efficiëntieverhoging vertaalt zich in een daling van de transactiekosten en een toename van de productiviteit van kenniswerkers. Op macrovlak vertaalt dit zich dan ook aldus Bartelsman en Hinloopen in een mogelijk hoger groeipad van het BBP. De lagere transactiekosten leiden er immers toe dat aanbod beter aansluit op vraag en de toegevoegde waarde per eenheid productiemiddel hoger is. Naarmate meer bedrijven ICT inzetten bij het productieproces, het marktaandeel van de ICT-gebruikende bedrijven toeneemt en toetreders productiever zijn dan uittreders, neemt de productiviteit op macro-economisch vlak dan ook toe. Waarom lijkt dit proces in de Verenigde Staten wel in werking te zijn getreden en in Nederland niet? Volgens de in hun preadvies gepresenteerde cijfers draagt ICT ongeveer 1% per jaar bij aan de Amerikaanse arbeidsproductiviteitsgroei, in Nederland slecht 0,25%. Volgens Bartelsman en Hinloopen lopen vooral de investeringen in ICT-kapitaal in Nederland fors achter bij de Verenigde Staten. De ICT-quote (ICT-investeringen als percentage van het BBP) lag in de VS op 2,1% in 1999; in Nederland op 1,2%. De verklaring moet dan ook worden gezocht in de hogere kosten van ICT-kapitaal in Nederland, bijvoorbeeld als gevolg van hogere personeels- en financieringskosten en een lagere marktdruk. Het is op deze aspecten dat zich dan ook het beleid moet richten, wil de groeibelofte van ICT ook in Nederland worden verzilverd.
 
In het vierde preadvies gaat Huub Meijers dieper in op de vraag in hoeverre de ontwikkeling van e-commerce een verklaring kan geven voor de lage inflatie die zo kenmerkend lijkt voor de nieuwe economie. In tegenstelling tot Van Ark gaat Meijers hierbij niet in op mogelijke meetproblemen, maar vertrekt hij van bestaande Amerikaanse gegevens omtrent inflatie en werkloosheid, de zogenaamde NAIRU in het bijzonder. Brayton, Roberts & Williams (1999) volgend, stelt Meijers vast dat een lage werkloosheid kan samengaan met een lage inflatie indien de winstmarge als verklarende variabele wordt meegenomen. Verandering in de winstmarge lijkt in de jaren '90 een goede verklaring te kunnen geven voor de breuk in de NAIRU die in de Verenigde Staten wordt vastgesteld van 6% over de periode 1955-95 tot 4,5% nadien. Aan de hand van een Cournot-oligopoliemodel toont Meijers aan hoe het de netwerkeffecten zijn van het gebruik van internet voor handel tussen bedrijven die een algemene verhoging van de efficiëntie en een verlaging van de marginale kosten mogelijk maken. Zonder deze netwerkeffecten zou het diffusieproces meteen stoppen. Dit is aldus Meijers het grote verschil tussen internethandel en de 'oudere' gesloten vormen van elektronisch handelen zoals EDI (electronic data interchange). Het feit dat internet is opgebouwd rond open standaarden, biedt immers de mogelijkheid tot de ontwikkeling van steeds nieuwere applicaties die voor iedereen vroegtijdig kenbaar zijn. Dit contrasteert scherp met de protocollen en het 'binnenshuis'-karakter van het vorige EDI-concept. Het bestaan van netwerkeffecten en open standaarden is dan ook de drijvende kracht achter de continue verdere spreiding van investeringen in internethandel. Het gepresenteerde simulatiemodel laat zien dat het deze karakteristieken zijn die de combinatie van hogere groei en matige inflatie kunnen verklaren. Op langere termijn keert het inflatieniveau echter weer terug naar zijn oorspronkelijke niveau.
 
Lex Borghans en Bas ter Weel gaan in hun preadvies in op de impact van ICT, computers in het bijzonder, op de arbeidsmarkt. Het toenemende belang van computers heeft geleid tot veel beleidsaandacht voor computervaardigheden, die tegenwoordig als essentiële kwalificaties worden gezien.[10] Bij gebrek aan zowel empirische als theoretische onderbouwing blijft het echter onduidelijk wat het werkelijke belang van computervaardigheden precies is. In hun preadvies gebruiken Borghans en Ter Weel Britse data in hun poging computervaardigheden, de verschillende niveaus waarop computers worden gebruikt, en het belang van computergebruik voor het uitvoeren van het werk te meten. Zij concluderen daarbij dat ontbrekende computervaardigheden veelal geen belemmerende rol spelen op de werkplek. Dus, net zoals in de jaren ‘70 en ‘80 ten onrechte de vrees bestond voor grootschalige technologische werkloosheid, is aldus Borghans en Ter Weel 'nu ook de vrees onterecht dat zonder investeringen in computervaardigheden een deel van de bevolking de boot zal missen'. Niettemin zien zij de arbeidsproductiviteit als gevolg van het gebruik van computers en ICT meer algemeen in vele beroepen toenemen. Zij beklemtonen daarbij echter veeleer het belang van infrastructuur en beschikbaarheid van diensten: niet alleen de fysieke netwerkstructuur, maar software en informatiediensten. De impact van ICT op de arbeidsmarkt overschrijdt met andere woorden de 'oude' visie van 'skill-biased' technische verandering maar brengt een hele reeks 'nieuwe' vaardigheden naar voren: 'people’s skills' in Bresnahan’s (1999) woorden, waarbij communicatievaardigheden, verantwoordelijkheid, onafhankelijkheid, initiatief nemen, enzovoort, de belangrijkste vaardigheden zijn. Het gaat hierbij niet in de eerste plaats gaan om computervaardigheden, maar om een bredere verschuiving van het belang van diverse vaardigheden in onze samenleving.[11]
 
In het zesde preadvies, van Jean-Jacques Herings en Maarten-Pieter Schinkel, komen we tot de micro-economische kern van de 'nieuwe' economie. Herings en Schinkel introduceren het onderscheid tussen goedereninformatie en informatiegoederen. Het is vooral goedereninformatie – de informatie over goederen en diensten – die in de nieuwe economie in veel ruimere mate en tegen lagere kosten voorradig is. Informatiegoederen zijn dan alle goederen die nu ook in digitale vorm kunnen worden aangeboden. Zij kunnen zowel in productieprocessen als in consumptie worden aangewend. Voor beide is een omvangrijke informatie-infrastructuur nodig. Herings en Schinkel zijn 'gematigd optimistisch' met betrekking tot de welvaartsverhogende impact van goedereninformatie. Markten worden immers transparanter, transactiekosten kunnen naar beneden. Wat informatiegoederen betreft, wordt daarentegen gevreesd voor dominante aanbieders. Het consumentensurplus kan immers worden afgeroomd door insluiting van consumenten, opbouwen van intellectuele eigendomsrechten en verder doorgedreven productdifferentiatie. De informatie-infrastructuur tenslotte leidt praktisch automatisch tot monopolistische marktstructuren gezien het belang van netwerkeffecten, zowel op individueel als collectief niveau. Er is dan ook behoefte aan een gediversifieerd overheidsbeleid dat rekening houdt met deze verschillende ontwikkelingen. Herings en Schinkel wijzen met name op de rol van de overheid als bewaker van de openheid van het concurrentieproces, wil men de potentiële 'world-wide-welfare' van internet realiseren.
 
In het laatste preadvies gaat Wilfred Dolfsma in detail in op de ontwikkelingen van een nieuwe economiesector bij uitstek: de content-industrie, vroeger ook nog omschreven als de 'culturele industrieën'. Zoals Dolfsma scherp in detail analyseert, zien deze content- of media-industrieën als typische informatiegoederen grote veranderingen tegemoet. Zij zijn vanuit Dolfsma’s perspectief exemplarisch voor wat andere sectoren te wachten staat. Content-goederen vormen de belangrijkste internethandel, zoals onder meer blijkt uit de ranglijst van meest gezochte termen op het internet: spelen, muziek en seks vormen de top drie. Dagelijks worden ongeveer drie miljoen muziekstukken van het internet geladen. De content-industrie wordt dan ook gekenmerkt door continue en snelle productinnovaties als gevolg van digitalisering, bijzondere problemen in het behouden en doen naleven van bestaande intellectuele eigendomsrechten zoals auteursrechten, gebundelde verkopen via platforms, snelle veranderende 'team'-werkomgevingen met complexe taken die niet routinematig kunnen worden uitgevoerd, enzovoort. De gedetailleerde analyse van de mediasector leidt Dolfsma ertoe te pleiten voor meer sectorale analyses en studies. Veranderingen in de vormen van marktwerking kunnen slechts op gedisaggregeerd niveau worden bestudeerd voordat specifiek beleid kan worden geformuleerd. De balans tussen tendensen tot monopolievorming en die tot fragmentering van markten is aldus Dolfsma slechts op dit niveau te bepalen. De mediasector is ook bijzonder belangrijk en leerzaam vanuit het perspectief van de organisatie van productinnovaties. Elk nieuw product is in zekere zin een innovatie. Media-industrieën zijn dan ook al decennia zo georganiseerd om een optimale stroom van productinnovaties te krijgen. Hoewel slechts een klein percentage van de nieuwe producten een succes wordt, is de sector wel succesvol. Belangrijk daarbij is teamverband: werkelijk vernieuwende ideeën ontstaan uiteindelijk slechts door de combinatie van verschillende achtergronden. Het lijkt, zou je denken, verdacht veel op de academische onderzoekswereld, wanneer die echt creatief is.
 
Het valt bij het lezen van deze preadviezen op dat er vele, verschillende analytische inzichten en methodologische benaderingen bestaan die een licht kunnen werpen op de invloed van ICT op de economie en het fenomeen van de 'nieuwe economie'. Vanuit de micro-economie en de informatie-economie in het bijzonder, zoals de overzichtsbijdrage van Herings en Schinkel en de sectorale bijdrage van Dolfsma goed illustreren, kunnen bestaande economische concepten en inzichten, met enige 'multidisciplinaire' creativiteit, zonder meer worden overgenomen. Wat traditioneel kon worden beschreven als ‘tweede-orde’-problemen of marktimperfecties, zijn nu eerder ‘eerste-orde’-marktkenmerken. Zoals Herings en Schinkel opmerken, zijn de karakteristieken van bijvoorbeeld goedereninformatie en informatiegoederen gekend sinds Kenneth Arrow’s baanbrekende artikelen. Dat neemt echter niet weg dat hun omvang binnen onze economie en hun internationale dimensie belangrijke nieuwe beleidsvragen oproepen. Het juridisch kader waarbinnen deze nieuwe markten worden georganiseerd, wordt uitermate belangrijk, zonder dat er echt een duidelijke maatstaf is om het 'juiste' juridische, fiscale, laat staan internationale kader vast te leggen. Dit geldt zowel voor het creëren van exclusiviteit, zoals het vastleggen van intellectueel eigendom en het tegengaan van monopolievorming, als voor het vastleggen van aansprakelijkheid, privacy en andere regels ter bescherming van de consument.
 
Vanuit de macro-economie lijkt het veel moeilijker bestaande concepten en inzichten toe te passen in het nieuwe digitale economische groeitijdperk. De macro-economische meetproblemen lijken daarvoor te sterk zijn toegenomen, zoals Van Ark aantoont. Dat geldt nog meer met betrekking tot scholing en kwalificaties: van een computer-'skill bias' lijkt, zoals Borghans en Ter Weel argumenteren, niet echt sprake. En dat lage inflatie kan samengaan met een lage werkloosheid, ook al is het maar tijdelijk, zou inderdaad het gevolg kunnen zijn van de netwerkeffecten van internethandel, zoals Meijers aantoont. Anderzijds blijkt uit Van Ark’s bijdrage dat het onderscheid tussen ICT-producerend of ICT-gebruikend in industrie of diensten belangrijk is om het verschil in groei tussen de VS en Europa te verklaren, maar kan de lage arbeidsproductiviteitsgroei in Nederland even goed worden verklaard door de lage investeringen in ICT zoals Bartelsman & Hinloopen argumenteren. Maar het kan ook zijn dat onze verwachtingen te hooggespannen zijn en dat de nieuwe economie passé is, zoals Jacobs ons wil doen geloven.
 
Zoals elders geargumenteerd, lijkt succes in de nieuwe economie in toenemende mate af te hangen van de efficiëntie en bekwaamheid van overheidsinstellingen die de nieuwe marktomgeving vormgeven en er toezicht op houden.[12] Men zou zelfs kunnen stellen dat landen die het meest van de nieuwe groeimogelijkheden hebben geprofiteerd, landen zijn met onafhankelijke, '24-karaats-instituties' die zich laten bijstaan door onafhankelijk advies, of het nu academisch is of niet. Het Amerikaanse Ministerie van Justitie in zijn gevecht met Microsoft is een goed voorbeeld. In plaats van het fenomeen van de 'nieuwe economie' links te laten liggen, doen economen er dan ook goed aan zich actief en creatief met het onderwerp te bemoeien.
 
Die creativiteit blijkt hopelijk uit de verschillende bijdragen aan deze preadviezen. Te noteren valt dat geen van de auteurs behoort tot de lijstjes van 'wetenschappelijke economen', 'beleidseconomen' of 'grappige economen' waarover Arnold Heertje het in zijn recent artikel Economie in een notendop (2000) heeft. Het zijn hier dan ook vooral creatieve economen, die bereid zijn geweest in het schrijven van hun preadvies de handschoen van de nieuwe digitale economie op te pikken en er vanuit hun expertise en inzichten hun licht op te laten schijnen.
 
 
Literatuur


 

Autor, D.H., Levy, F. & Murnane, R.J. (2000)
Upstairs, downstairs: Computer-skill complementarity and computer-labor substitution on two floors of a large bank. NBER working paper 7890, september.
 
Borghans, L. & Weel, B. ter (2000a)
Do we need computer skills to use a computer? Evidence from the U.K. ROA/ MERIT, werkdocument, juni.
 
Borghans, L. & Weel, B. ter (2000b)
What happens when agent T gets a computer? ROA/MERIT, werkdocument, augustus.
 
Bresnahan, T.F. (1999)
Computerisation and wage dispersion: An analytical reinterpretation. Economic Journal (109), Features, F390-F415.
 
Brayton, F., Roberts, J.M. & Williams, J.C. (1999)
What’s Happened to the Phillips Curve? Working Paper. Washington, DC: Federal Reserve Board, September.
 
Bresnahan, T.F. & Trajtenberg, M. (1995)
General purpose technologies: 'Engines of growth'? Journal of Econometrics (65), 1, 83-108.
 
Cairncross, F. (1998)
The death of distance: How the communications revolution will change our lives. Boston, Massachusetts: Harvard Business School Press.
 
David, P.A. (1991)
The Dynamo and the computer: An Historical Perspective on the Modern Productivity Paradox. Parijs: OESO.
 
Dosi, G. (1984)
Technical Change and Industrial Transformation. London: Macmillan.
 
Freeman, C. & Perez, C. (1988)
Structural crises of adjustment: Business cycles and investment behaviour. In: G. Dosi, C. Freeman, R. Nelson, G. Silverberg & L. Soete (Red.) Technical change and economic theory. London: Pinter, 38-66.
 
Freeman, C. & Soete, L. (1994)
Work for all or mass unemployment. Londen: Pinter.
 
Freeman, C. & Soete, L. (1997)
The economics of industrial innovation. Cambridge MA: MIT Press.
 
Gordon, R.J. (1999)
Has the new economy rendered the productivity slowdown? Northwestern University, werkdocument juni.
 
Greenwood, J. & Yorukoglu, M. (1997) 1974.
Carnegie-Rochester Conference Series on Public Policy (46), 49-95.
 
Groot, L. & Grip, A. de (1991)
Technological change and skill formation in the bank sector. Economics of Education Review (10), 1, 57-71.
 
Harris (1998)
The internet as a GPT: Factor market implications. In: E. Helpman (Red.) General purpose technologies and economic growth. Cambridge MA: MIT Press, 145-166.
 
Heertje, A. (2000)
Economie in een notendop. Amsterdam: Prometheus.
 
Helpman, E. (1998)
General purpose technologies and economic growth. Cambridge MA: MIT Press.
 
Katz, B.G. & Phillips, A. (1982)
Government, economies of scale and comparative advantage: The case of the computer industry. In: H. Giersch (Red.) Proceedings of Conference on Emerging Technology. Tübingen: Kiel Institute of World Economics.
 
Keuzenkamp, H.A. (1999)
Verkeerd verbonden of in gesprek. Economisch Statistische Berichten (84), 4231, 869.
 
Krueger, A.B. (1993)
How computers have changed the wage structure: Evidence from microdata, 1984-1989. Quarterly Journal of Economics (108), 1, 33-60.
 
Levy, F. & Murnane R.J. (1996)
With what skills are computers complements? American Economic Review (86), Papers and Proceedings, 258-262.
 
Lindbeck, A. & Snower, D.J. (2000)
Multi-task learning and the reorganization of work: From Tayloristic to Holistic organization. Journal of Labor Economics (18), 3, 353-376.
 
Oliner, S.D. & Sichel, D.E. (2000)
The resurgence of growth in the late 1990s: Is information technology the story? Washington, DC: Federal Reserve Board, werkdocument mei.
 
Saint-Paul, G. (2000)
On the distribution of income and worker assignment under intra-firm spillovers, with an application to ideas and networks. Journal of Political Economy, te verschijnen.
 
Soete, L. (1999)
La nuova economia, Economisch Statistische Berichten (84), 4231,  871.
 
Soete, L. & Weel, B. ter (1999)
Technologie vraagt om meer persoonlijke vaardigheden. Economisch Statistische Berichten, Dossier Armoede, D15-D19.
 
Triplett, J.E. (1996)
High Tech Industry Productivity and Hedonic Price Indices. In: OECD, Industry Productivity. International Comparison and Measurement Issues. Parijs: OECD Proceedings, 119-142.


Noten


[1]Zie bijvoorbeeld de artikelen in NRC Handelsblad in de zomer van 1999 van onder meer De Graaf, Jorritsma, De Hoop Scheffer, en anderen.

[2] Zie onder meer Keuzenkamp (1999) en Soete (1999).

[3] Greenwood & Yorukoglu (1997) beschouwen de gevolgen van ICT in de Verenigde Staten en beargumenteren dat 1974 het punt in de geschiedenis is dat de invloed van ICT voelbaar werd.

[4] Zie onder meer Freeman & Soete (1994) voor een overzicht. Groot & De Grip (1991) en Autor, Levy & Murnane (2000) onderzoeken de impact van ICT in twee grote banken in respectievelijk Nederland en de Verenigde Staten. Zij vinden dat de introductie van ICT heeft geleid tot vele organisatorische veranderingen. Lindbeck & Snower (2000) geven een theoretische uitleg hoe de organisatie van productie is verschoven van een op 'Tayloristische' gestoelde productiewijze naar een meer 'holistische' productiewijze, waarbij teamwork, job rotatie, het integreren van taken en het leren door middel van job rotatie essentiele ingrediënten zijn.

[5] Een historisch overzicht van de technologische ontwikkeling van elektronica en de computer vindt men in Freeman & Soete (1997), hoofdstuk 7.

[6] Helpman (1998) geeft een goed overzicht van zulke technologische veranderingen. Harris (1998) onderzoekt het internet als 'general purpose'-technologie, waarbij hij zich richt op internet als communicatienetwerk. Zijn voornaamste bevindingen zijn dat de introductie van een communicatienetwerk de 'virtuele' mobiliteit van zowel services als arbeid verhoogt en dat als gevolg de loonpremie voor hooggeschoolden stijgt.

[7] Dit energievoordeel per apparaat kan uiteraard teniet worden gedaan door het intensieve gebruik en de grote spreiding van deze apparaten, bijvoorbeeld computers. Ongetwijfeld stijgt in Nederland het aandeel van energiegebruik omwille van het toenemende gebruik van computers. In de Verenigde Staten is berekend dat productie en gebruik van computers verantwoordelijk zijn voor de afname van 295 miljard kilowatt-uur, zo’n 8% van de totale Amerikaanse stroombehoefte.

[8] Gemeten bijvoorbeeld als octrooien per dollar O&O-uitgaven.

[9] CBS-conferentie (november 2000) over meetproblemen in de nieuwe economie, en het onderzoek geïnitieerd binnen de Eurostat-werkgroep 'nieuwe economie'.

[10] Krueger’s (1993) bijdrage, die aantoonde dat computergebruik gepaard ging met een loonpremie van om en nabij 15%, heeft heel wat losgemaakt in dit debat. Een structureel model om het werkelijke belang van computers en de vaardigheden die zijn vereist om een computer te bedienen, is echter (nog) niet voorhanden. Bresnahan (1999),Autor, Levy & Murnane (2000), Borghans & Ter Weel (2000a) en Saint-Paul (2000) zetten de eerste stappen in deze richting.

[11] Zie ook Levy & Murnane (1996), Soete & Ter Weel (1999) en Borghans & Ter Weel (2000b).

[12] 'Kok II wantrouwt ‘nieuwe economie’ te veel', NRC, 19 september 2000, p. 9.

 

 

 

google

bouwweb

webwise

managementboek.nl

ESB Economisch Statistische Berichten

 

 

 

 
Google
_________________________________________________________

floor
(e) info@floor.nl
copyright © 1994-2018 floor