Search   Contact      

 

 

   

management

management goeroes

toelichting op goeroes

management jargon

management tools

top 100 literatuur

anti goeroe tips

management consult

consultants

managementboek.nl


economie

economen jargon

bronnen

eConomics

Nobelprijs economie

topeconomen

top 40 economen

literatuur economie

links eConomics

 

 

 

 

Wielerjargon 

2 vingers in de neus: Enorm makkelijk fietsen alsof het totaal geen moeite kost.

À bloc: Op maximale inspanning rijden.
Aan de boom schudden: Zo hard op kop van het peloton rijden, dat er renners worden gelost.
Aan het elastiek hangen: Als laatste renner nog net de aansluiting met de groep kunnen houden.
Bezemwagen: De laatste wagen in koers, waarna de weg wordt vrijgegeven.
Bonificatie: Extra (bonus) seconden voor de eerste renners bij een bepaalde sprint of finish.
Chasse patate: Een renner of groepje dat is gedemarreerd uit het peloton, maar tussen de kopgroep en het peloton blijft hangen.
De bus: Een grote groep geloste renners, die gezamenlijk naar de finish rijden.
Demarrage: Een aanval.
Deur staat open: Wanneer er veel renners tegelijkertijd gelost worden uit het peloton.
D’r op en d’r over: Een groepje of renner inhalen en meteen keihard doorfietsen, hopend dat je ze meteen achterlaat.
Deur dicht doen: In een sprint van je lijn afwijken en er zo voor zorgen dat je tegenstander niet kan passeren.
Een jasje uitdoen: Een inspanning leveren die enorm veel energie en kracht kost.
Een waaier trekken: Bij zijwind schuin achter elkaar rijden waarbij iedereen uit de wind zit behalve degene die op dat moment vooraan rijdt.
En danseuse: Staand/dansend een klim op rijden.
Er af gepierd worden: Gelost worden, het tempo niet meer kunnen volgen.
Er een snok aan geven: Extra hard gaan rijden.
Erbij liggen: Deel uitmaken van een valpartij.
Flikken: Een streek uithalen waarmee je iemand benadeelt.
Gat laten vallen: Een ploegmaat weg laten rijden en zorgen dat er niemand op dat moment meekan in zijn achterwiel omdat je je benen stilhoudt.
Geparkeerd staan: Een renner die niet meer vooruit komt op een klim.
Getelefoneerd: Een demarrage die iedereen zag aankomen.
Gesoigneerd zijn: Er verzorgd en gelikt uit zien. (Geschoren benen, hoge fietssokken, schone fiets, etc.)
Goede benen hebben: In een goede vorm verkeren.
Grinta: Met veel energie en passie de koers rijden.
Grote molen: Met een groot verzet rijden.
Grupetto: Een ander woord voor de bus, de laatste grote groep in koers.
Harken: Moeilijk en vaak met een te grote versnelling rijden.
Hol open: Iemand rijdt met het hol open als er super hard gekoerst wordt.
Hongerklop: Wanneer de glycogeenvoorraad op is.
In de boter trappen: Erg makkelijk trappen, vaak op een licht verzet en het kost ogenschijnlijk geen moeite.
In een zetel zitten: In de meest ideale positie rijden als de sprint begint.
Jasje uitdoen: Een flinke inspanning leveren.
Koekebakker: een sukkel, een renner die het spel niet zo goed snapt
Koffiemolen: Op een klein verzet met veel omwentelingen rijden.
Kousevoeten: Op kousevoeten wegrijden betekent het stiekem wegrijden uit de groep.
Kuitenbijter: Een kort maar steil klimmetje.
Kwak geven: Een schouderduwtje geven om een positie te winnen.
Lead-out: De renner die de sprint aantrekt voor de kopman.
Linkeballen: Pokeren op de fiets. Een renner die pokert slaat vaker een beurtje over en rijdt niet volle bak door.
Linkeballen: Het tactisch zo uitspelen zodat je niet te veel kopwerk doet of andere energie verspilt.
Loper: Een gelijkmatige klim die niet steil is.
Lossen: Als een renner het tempo van een groep niet kan bijhouden.
Man met de hamer: Jezelf tegenkomen, omdat je teveel energie hebt gebruikt. Ook wel een hongerklop genoemd.
Mongolenwaaier: Een waaier met geloste renners.
Omslagpunt: Vanaf deze hartslag begin je met verzuren. Dit kan je slechts enkele minuten volhouden.
Op de kant zetten: Wanneer een ploeg het op de kant zet, maken ze een waaier op de helft van de weg, waardoor de renners daarachter niet meer kunnen schuilen voor de wind. Die renners rijden dan zover mogelijk op de rand van de weg om nog te profiteren van de renners voor hun. Ze zijn dus op de kant gezet door de ploeg die voorop rijdt.
Palmares: De erelijst van een renner.
Pannenkoek: Een slechte renner.
Plat staan: Een lekke band hebben.
Plooien: Een renner die de achtervolging op de renner of groep voor zich opgeeft.
Puncheur: Een explosieve renner die het best tot zijn recht komt op korte steile klimmetjes.
Rode lantaarndrager: De laatste renner in het klassement
Rouleur: Een renner die het best tot zijn recht komt op het vlakke. Een andere naam hiervoor is een hardrijder.
Soigneur: Een verzorger van de renners.
Sprint der stervende zwanen: Een sprint tussen twee man die allebei kapot zitten maar toch nog een inspanning moeten leveren waarbij ze beide niet vooruit komen.
Strijkijzer: Iemand die niet explosief is en tekort komt in de sprint.
Surplace: Wanneer renners stilstaan bij baanwielrennen of bergop, dan wordt het een surplace genoemd.
Valst plat: Een lichtoplopende weg, dat je niet kan zien met het blote oog, maar wel merkt in de benen.
Waaier trekken: Wanneer de wind van de zijkant komt en de renners schuin achter elkaar gaan rijden om uit de wind te zitten.
Wandeletappe: Een etappe waarbij heel langzaam gereden wordt.
Waterdrager: Een renner die zijn kopman helpt en voorziet.
Wattage: Een uitdrukking van hoeveel kracht/vermogen een renner levert.
Wegkapitein: Een renner die als verlangstuk van de ploegleider functioneert en veel parcourskennis heeft.
Wieltjeszuiger: Iemand die niet of nauwelijks op kop van de groep komt.
Zetel: Een renner zit in een zetel, wanneer hij op de juiste positie van de groep zit en een grote kans heeft op de overwinning.
Zwemmen: Zwemmen tussen het peloton en de kopgroep, wordt ook wel een chasse patate genoemd.

 

 

 

 

managementnieuws

nieuws

 

 

 
_________________________________________________________

floor
(e) info@floor.nl

copyright © 1994-2020 floor