| |
Brainstorming
Brainstormtechnieken worden (onder andere) gebruikt om
oplossingen te vinden op een manier die geen afbreuk doet
aan creativiteit en inbreng van de deelnemers. Vroeger vaak
met behulp van de flip-over, maar tegenwoordig ook met de
GDR - Group Decision Room. De TU Delft heeft er eentje beschikbaar
voor derden.
Brainstorming wordt op de volgende momenten toegepast:
- bij het inventariseren van problemen
- bij het nagaan van de oorzaken van een gekozen probleem
- bij het verzinnen van oplossingen voor de belangrijkste
oorzaken
- bij het inventariseren van de benodigde acties
Het is de kunst bij het brainstormen creatief te werk te
gaan. De creativiteit van de groep wordt groter naarmate
je een beroep doet op de inbreng en de deskundigheid van
alle deelnemers. Door de oordeelsvorming te scheiden van
de ideeengeneratie neemt de creativiteit OOK toe. Dus het
is niet verstandig direct de ideeen te toetsen op haalbaarheid
en ervaringen uit het verleden. Dat kunnen dan belemmeringen
opleveren voor het nieuwe en onverwachte.
Voordat je begint moet een brainstormmethode gekozen worden,
waarbij het belangrijk is om te bezien hoe je de ideeen
na afloop gaat ordenen.
Methoden zijn:
- Klassieke brainstorm
Iedereen roept een idee, die worden genoteerd op flipovervellen.
Door te kijken op de flipovervellen worden 'vervolgideeen'
gegenereerd. Vrij en open associeren is bijna een garantie
voor succes.
- Nominale brainstorm
Iedereen schrijft de ideeen op en leest om de beurt een
idee voor. Dat idee wordt op de flipover geschreven. Uitleg
vragen mag, maar geen waardeoordeel geven.
- Anonieme brainstorm
Iedereen schrift de ideeen op en geeft die aan een mentor,
die het noteert op een flipover. Na afloop worden de resultaten
besproken.
- Kaartjesmethode
Een ieder schrijft zijn idee op een kaartje. De kaartjes
of 'geeltjes' worden op de muur gehangen. Daarna worden
de kaartjes geclusterd.
- Pro-Con brainstormmethode
Eerst op klassieke wijze de positieve kanten/mogelijkheden
inventariseren. Daarna alle negatieve.
- Imaginaire brainstorm
Breng een strenge randvoorwaarde in en vervolg met een
van de eerder genoemde methoden.
- Integratieve brainstorm
Lees een idee voor en daarna nog een en probeer een neiuw
idee uit die twee te genereren.
- Writing pool brainstorm
In het midden liggen een aantal kaartjes dat overeenkomt
met het aantal deelnemers. Op elk kaartje staat een probleemstelling
met een klein aantal mogelijkheden. lees het kaartje en
voeg er drie ideeen aan toe. Leg het kaartje terug en
pak een nieuwe.
- Delphi methode
Inventariseer vooraf en maak een lijst van ideeen. Verspreid
de lijst met ideeen en voeg suggesties toe. Voeg de resultaten
geordend samen en herhaal het hele proces met de nieuwe
lijst. Iedereen noteert de ideeen en geeft de rangorde
aan.
- Analogie methode
Bekijk een analoog probleem met een eerder genoemde methode
en bespreek de resultaten. Ga dan nog eens naar het oorspronkelijke
probleem terug.
- Futuring
Je kiest een moment in de toekomst (niet al te ver). Je
bekijkt het probleem en beschrijft het in de onvoltooid
tegenwoordige tijd. Dat is belangrijk, want
daardoor bekijk je het als het ware vanuit een helicopter
in de toekomst. Vrij associerend gebruik je een brainstormmethode.
Langzamerhand wordt het duidelijker. De volgende stap
is weer een brainstormronde maar dan wat er gedaan zou
moeten worden om in die toekomstige situatie te geraken.
Daarna dienen de gewenste acties in een actieplan te worden
omgezet.
Valkuilen:
- niet constructieve bijdragen:
- dat wordt veel te duur, want ...
- niemand zal dat accepteren, want ...
- dit werkt toch niet, want ...
- dit is een onoplosbaar probleem, want ...
- dat past niet, want ...
- dat hebben we al eens geprobeerd
- daar zijn we nog lang niet aan toe.
- maar denk je dat echt op te lossen
- dat heb ik lang geleden ook eens geprobeerd
- dat is niet realistisch, want ...
- zo komt het toch niet van de rgond
- ik ben het er mee eens, maar ...
- dat zou eventueel kunnen, mits ...
- dat redden we zo nooit binnen een redelijke termijn,
want ...
- onvoldoende voorbereide ordening achteraf
- hoe ga je clusteren ?
- zijn alle items van gelijk niveau ?
- durft elke deelnemer te zeggen wat 'tie' wil ?
ref: K1
|